![]() |
|
|
Welkom Cordoeanierstraat 13 |
|
Vivès > SpeelprojectenHet speelplein... een geïsoleerd kindereiland
Het speelplein….een geïsoleerd kindereiland?
Dat onze organisatie kinderrechten hoog in het vaandel draagt is reeds welbekend. In haar zoektocht naar gelijkaardige partners werd er contact gelegd met de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen (www.kinderrechtencoalitie.be). Deze contacten verliepen zo goed dat Vivès dit jaar door de overige leden als kernlid erkend werd!
De coalitie bestaat momenteel uit 23 niet–gouvernementele kinderrechtenorganisaties die willen toezien op de naleving van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het grote publiek daaromtrent willen sensibiliseren. Door deze NGO’s samen te brengen in een coalitie bekomt men een bundeling van krachten, met meer slagkracht als gevolg.
KINDERRECHTENBEWEGING EN KINDBEELDEN….In 1989 nam de VN unaniem het Verdrag inzake de Rechten van het Kind aan. Natuurlijk is dit verdrag niet zomaar uit de lucht komen vallen. Een hele ontstaansgeschiedenis is daaraan vooraf gegaan.
De manier waarop men doorheen de geschiedenis het kind behandelde, is sterk gecorreleerd met het toenmalig geldende kindbeeld[1]. Begin 20steeeuw aanzag men kinderen als nog-niet mensen : zij weten niet, zij kunnen niet, zij zijn nog niet. Kinderen dienden uitgesloten te worden uit de volwassenenwereld, veilig ingebed in een cocon, een soort “jeugdland”[2]. Op het einde van de vorige eeuw werd dit romantisch-sentimenteel kindbeeld, met haar “nog-niet status”, vanuit verschillende hoeken steeds meer ter discussie gesteld. Deze heterogene groep kreeg als verzamelnaam “kinderrechtenbeweging”. Rode draad doorheen deze oproep is de mening dat kinderen gelijkwaardig aan volwassenen moeten behandeld worden. M.a.w. de muren tussen jeugdland en de wereld van volwassenen moet gesloopt worden. Kinderen zijn nog geen volwassenen, maar dit betekent niet dat ze angstvallig van elkaar gescheiden moeten gehouden worden.
In deze optiek zijn participatie en empowerment kernbegrippen geworden van de kinderrechtenbeweging. Kinderrechten – en rechten tout court – zijn immers middelen die mensen ertoe in staat stellen om hun leven te organiseren[3]. Kinderrechten als middel om gehoord te worden, om kinderen te versterken in hun onafhankelijkheid, zelfstandigheid en beslissingsbevoegdheid.
VIVES’ RECHT OP SPELEén van Vivès’ voornaamste credo’s is het recht op spel. Kinderen hebben het recht om overal en altijd te kunnen spelen. De vraag is of de recht-op-spel-gedachte te rijmen valt met de huidige kinderrechten-ethiek die ze onderschrijft. Of sluit het juist meer aan bij de romantisch-sentimentele opvattingen omtrent het kinds zijn : het kind moet kind kunnen zijn, spelend in een zorgeloze wereld, in “jeugdland”? Kortom, staat Vivès’ visie niet mijlenver van de kinderrechtenbeweging? Om deze vraag te beantwoorden volstaat het om de activiteit “spelen” eens onder de loep te nemen. Gezien de aandacht van Vivès voornamelijk uitgaat naar speelpleinwerking, zullen we het spel-gegeven vooral vanuit deze invalshoek bekijken. Hierbij benadrukken we dat speelpleinwerking slechts één soort spelmoment is in de totaliteit van de spelbeleving van kinderen. We kunnen ruwweg 5 kenmerken aan spel toekennen.
Spelen is een natuurlijk proces. In de eerste levensjaren neemt spelen reeds een voorname plaats in, in het nog prille leven van het kind. Het is één van de weinige activiteiten die niet echt “aangeleerd” hoeven te worden, net als slapen, eten, lachen,…
Spelen is een bevrijdend proces. Niets zo leuk voor een kind als het ritueel van het uitleven, ravotten, stoeien, ontspannen...Kortom, activiteiten waartoe ze thuis of op school niet altijd de mogelijkheid krijgen.
Spelen is een leerproces. Door het spelen tasten kinderen hun grenzen af. Dit kan zowel op een individuele basis : Waar ligt mijn grens? In hoeverre kan ik deze verleggen? Maar ook in de vorm van een collectief proces, van een groepsbeleving: Waar ligt onze of andermans’ grens? Door het ongedwongen met elkaar spelen, leren kinderen elkaar, maar ook het eigen IK ontdekken en ermee omgaan.
Spelen is een sociaal procesSpelen met elkaar dwingt tot het maken van spelregels (afspraken), communicatie. Spelfunctie leidt tot een groepsproces met sociale interactie als onmiskenbaar gevolg. Dit geeft kinderen de mogelijkheid om een klein sociaal netwerk uit te bouwen. Een ideale manier om anderen en zichzelf in hun eigenheid te (her)ontdekken. M.a.w., samen-spelen als oefenterrein voor het aanleren van sociale vaardigheden.
Spelen is een empowerment-proces Volgens Vygotsky zorgt het speelproces ervoor dat kinderen een grote sprong voorwaarts maken in hun ontwikkeling[4]. Zo tonen ze tijdens het spelen een veel beter vermogen tot zelfbeheersing, taalgebruik, geheugen en samenwerking. Spel kan aldus beschouwd worden als een vergrootglas dat toont waartoe het kind bijna in staat is in het echte leven. Dit vindt zijn verklaring in het feit dat kinderen tijdens het spelen vaak dingen imiteren die ze in het echte leven nog niet echt begrijpen. Maar in dit geval kan hij naar hartelust imiteren, met minder remmingen, en meer controle over zichzelf en zijn omgeving.
Spel draagt dus bij tot de ontplooiing van uiteenlopende zaken : motivatie, concentratie, volharding, inzicht,…, die het ontwikkelingsproces van kinderen stimuleren en hen systematisch de wereld leren kennen in al zijn facetten.
GOED GESPEELDDeze vijf kenmerken van spel indachtig maken het minder aannemelijk om te concluderen dat spel kinderen enkel en alleen maar in die zorgeloze kindertijd houdt, in “Jeugdland”. Maar er is meer! Geen spel zonder spelbegeleid(st)ers. In Vlaanderen engageren heel wat jongeren zich in het jeugdwerk. Voor velen onder hen is dit engagement een experimenteerruimte voor grensverkenning, een bevestiging dat zij het kind-zijn ontgroeid zijn en instap krijgen in de wereld van volwassenen.
Bovendien hecht Vivès belang aan een speelpleinwerking waar betekenisvolle inspraakmomenten van kinderen en kansen creëren voor participatieverruiming het credo zijn. Het stimuleren van de betrokkenheid bij hun eigen leefwereld en – bij uitbreiding – de samenleving.
SPEL ALS CONFRONTATIEVivès’ recht op spel is dus zeker geen late stuiptrekking van het romantisch-sentimentele gedachtengoed omtrent het “kind-zijn”, maar is een realistische voorziening die kinderen de vrijheid geeft om – mits herkenning van hun eigenheid - gelijkwaardig behandeld te worden aan volwassenen. Spel is immers een middel om een omgeving te creëren waar geluisterd wordt naar kinderen, waar hen de kans gegeven wordt om te participeren in de samenleving. Spel als sociaal-cultureel aangestuurd leerproces.
Kinderen hebben zeker recht op een eigen mening, eigen vereniging, spel en speelkameraden. Spel en speelpleinwerking moet hen helpen die rechten te verwezenlijken. Dit bevordert de ingroei in de maatschappij en geeft hen de kansen om hierin een eigen gewaardeerde en erkende bijdrage te leveren. Volwassenen spelen om de werkelijkheid te ontwijken, kinderen om de confrontatie met de werkelijkheid aan te gaan.
In deze zin sluit de visie van Vivès perfect aan bij de kinderrechtenbeweging. Zodoende zal het Pedagogisch Instituut haar kernlidmaatschap van de Kinderrechtencoalitie zo goed mogelijk gebruiken om haar visie kenbaar te maken en te toetsen met andere partners uit de coalitie.
Het speelplein is geen geïsoleerd kindereiland, maar een belangrijke (f)actor in de doorgroei naar de maatschappij. [1] Een historisch overzicht inzake veranderende kindbeelden doorheen de eeuwen zou ons in het kader van dit artikel te ver leiden. Zie hiervoor : R. Dekker, Uit de schaduw in ’t grote licht – Kinderen in egodocumenten van de Gouden Eeuw tot de Romantiek, Amsterdam, 1995, 288 p. [2] Kinderrechten en onderwijs: een driedubbele opdracht, Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Departement Onderwijs, 1999, p. 6. [3] G. Mortier , We zijn allemaal kinderen: bruggen tussen rechten voor kinderen en rechten voor volwassenen, Tijdschrift voor Jeugdrecht en Kinderrechten, 2002, extra editie, p.10. [4] H. Spiering , Spel als motor, NRC Handelsblad – wetenschap, 23 september 2000, s.p.
| |||