Vivès logo

Welkom
Actua
Over Vivès
Jeugdconsulenten
Speelprojecten
(kader)vorming
Jeugdruimte
Kinderrechten
Publicaties
Pak-me-mee
Boekenhoek
Fotohoek
Links
Abonneren op de
Nieuwsbrief





Cordoeanierstraat 13
8000 Brugge
Tel: 050/34 06 70
Fax: 050/34 34 40

Vivès > Speelprojecten
een schoolerf

1. De school is van “ons”

Inbreiding en kernverdichting zijn sleutelwoorden in de nieuwe constructie van de ruimtelijke omgeving waarin mensen, en dus ook kinderen en jongeren, verkeren.  Die optie voor een kwalitatieve woonomgeving, waarin duurzaamheid en omzichtig omspringen met het schaarse (en kostelijk) openbaar domein, centraal staan, zet druk op scholen en schoolruimtes om hun jarenlange traditie van afgeslotenheid te laten varen, muurtjes letterlijk te laten zakken, en aansluiting te vinden bij die ruimtelijke omgeving en haar bewoners.

Een school is niet enkel een gebouw, een stuk infrastructuur, een “nutsvoorziening”, maar is evenzeer een levende gemeenschap, elk met behoeften en belangen: een inrichtende macht; een directie en een lerarenkorps (en ruimere personeelsomkadering van poetsvrouw tot secretariaatsmedewerkers,...): ouders en oudercomité; en bijna zouden wij het vergeten, ook leerlingen... het zoveel “aandeelhouders” van een “systeem” in permanente beweging, dat veel wordt bevraagd en voor veel uitdagingen staat.
De gemeentelijke jeugddienst Lanaken, houdt scholen als mogelijkheid tot kwalitatieve speelomgeving in het vizier. Zij pleit voor een kwalitatieve schoolomgeving. Zij deed dit reeds eerder, via een vrijwel uniek subsidiëringsinstrument, dat nu uitgebreid wordt en een scherpe voorzet wil zijn voor een project van communicatieve planning (met actieve participatie van alle “aandeelhouders”) dat planmatig en overdacht de bespeelbaarheid van elke schoolspeelplaats wil optimaliseren.
Ruimer nog, als opstap voor een nauwere integratie van de school in de buurt, is er, waar noodzakelijk – wegens schaarste aan speelmogelijkheden in de buurt – , de uitnodiging om experimenteel nog een stap verder te zetten binnen het opzet van een “schoolerf” gezamenlijk verantwoordelijkheid te nemen. Zo zouden de lagere scholen Aan de Basis Smeermaas en de lagere school in Neerharen een trekkersrol kunnen vervullen.

 

2. Een schoolerf binnen een gemeentelijk speelbeleid


Het idee van een schoolerf is in Vlaanderen vrij experimenteel (in Nederland is men met dit ideeëngoed van integratie van schoolruimte in de openbare ruimte reeds langer vertrouwd; dit heeft vooral te maken met een andere kijk op structurering van de openbare ruimte).

Kapstokken voor de realisatie van een win-win-relatie voor beide partijen zijn:

1. de school staat niet alleen: binnen de ruimtelijke planning van een gemeente nemen scholen een bijzondere plaats in: dit geldt evenzeer voor hun plaats binnen het netwerk van sociale contacten, een school is meer betrokken, minder betrokken bij het gemeentelijk gebeuren. Dit heeft veel consequenties.

2. een speel(ruimte)beleid maakt school: planmatigheid is één van de sleutelwoorden die zich opdringt; zowel de speelfunctie als de leerfunctie worden nadrukkelijk bevraagd in en buiten de school. Daarenboven is ruimte in het stedelijk weefsel schaars en duur.

3. een schoolerf als concept: er wordt gelonkt naar, en velerlei appèl gedaan op de ruimte die een school ter beschikking heeft: lokalen – terreinen... maar is een school hiervoor wel toegerust...

4. over muren en uren: de aanleg van een schoolspeelplaats geeft perspectieven voor een veelzijdig gebruik, maar facetten als sociale controle, verantwoordelijkheid, goed gebruik, vragen een vertrouwenwekkende communicatie.

5. veiligheid van speeltoestellen, een Europese bril: na jaren discussie zijn nieuwe Europese richtlijnen voor speeltoestellen uitgedokterd. Wat betekenen die voor de concrete schoolspeelplaats?

6. wat we samen doen, doen we beter: inspraak en uitspraak van leerlingen en leerkrachten; samenspraak met gemeentelijke diensten; daadkracht van een oudercomité. Veel actoren die een speelomgeving letterlijk vorm kunnen geven.

7. stimuli vanuit de gemeentelijke overheid: een gemeentelijk reglement kan het denkproces over vernieuwende concepten stimuleren, ook i.v.m. schoolspeelplaatsen. Maar koken kost ook geld... hier is gezamenlijk bezinnen over realistische stimuli noodzakelijk.

 

3. Een veilig en speels concept (een schoolspeelplaats is geen pretpark)


Speelwaarde en belevingswaarde van een speelplaats zijn niet recht evenredig met het aantal speeltoestellen dat wordt ingepland. Integendeel, een te overladen programma schept problemen op te kleine oppervlaktes. Een schoolspeelplaats is geen toestellenpark maar een speellandschap, waarbij we de spelaanleidingen zo concipiëren en structureren, dat ze de kinderen de kans geven zelf richting te geven aan hun spel.
Schoolspeelplaatsen moeten uitdagingen aanreiken, inventiviteit aanmoedigen, steeds nieuwe spelmogelijkheden laten ontdekken. Moderne materialen en een doordachte inplanting, gebaseerd op afwisseling van goed onderscheiden activiteiten- en rustzones, variatie in groenaanleg en bodembedekking, maken het immers mogelijk attractieve speelomgeving te creëren die de verbeelding van kinderen blijft stimuleren, en die bijgevolg bijdragen tot een evenwichtige opvoeding.
Kennis van de ruimtelijke omgeving, van de doelgroep(en) voor wie wordt geconcipieerd, van speltradities binnen de school en van ervaren leemtes, observatie van het actuele spelgedrag zijn elementen die zeker bijdragen tot het ontwerpen van een aangename ontmoetingsruimte. Kinderen kunnen hier als “ervaringsdeskundigen” zelf een belangrijke aanbreng in hebben.
De nieuwe Europese normen voor speelveiligheid zijn mede oriënterend voor een gepast concept. Hier moet men durven een onderscheid te maken tussen potentieel on-veilig en een aanvaardbaar risico.

Basisprincipes voor het opmaken van een speels concept zijn:
· uitleven en inleven
· veiligheid en toegankelijkheid
· variatie en complementariteit
· geborgenheid en beschutting (zowel de fysische als de psychische component zijn niet te verwaarlozen)
· tolerantie (looplijnen)
· betrokkenheid (wat we samen doen, doen we beter)

Het specifieke van het schoolleven doet nadenken over:
· het onthaal van ouders (eventueel onthaalzones)
· het toezicht van leerkrachten (overzicht – doorzichtigheid)
· externe factoren:
- bv. afspraken i.v.m. brandveiligheid
- bv. anderen (opvang – socioculturele of sportverenigingen...) als mede-
gebruikers
· interne organisatie:
- klasrijen?
- iedereen speeltijd op hetzelfde moment?
- fietsverkeer / toiletverkeer
- feestelijkheden
- wat bij regenweer?
- specifiek gebruik (cf. fietsjes; zandbak; buiten les geven; gebruik van de speelplaats voor lessen lichamelijke opvoeding...)
- het stimuleren van spel op de speelplaats (bv. uitleenkoffers)
- de vraag hoe niet enkel bewegingsspelen, maar ook andere vormen van spel stimuleren
- ruimte voor specifieke activiteiten: tuinieren, dieren verzorgen,...
- de functie van groen op de speelplaats

 

4. Een stappenplan op maat


De ontwikkeling van een specifiek visieplan (participatief, communicatief, meerwaarden gericht), vraagt een onderhandelende afsprakennota en een actieplan met timing.
Het is belangrijk vooraf in te schatten, hoe ruim het project is, de mate van betrokkenheid van elke “aandeelhouder” die de projectaanvrager wenst mee te nemen in het proces, de organisatie van het inspraakgegeven en van de interne en externe communicatie en terugkoppeling, die men wenst.
De technische vaardigheden die de betreffende werkgroep in zich bergt (bv. m.b.t. het zelf uittekenen van een ontwerpschets) en de financiële mogelijkheden ter realisatie.


Een optimaal scenario bergt in zich:

1° een “instapfase”: het is een fase van kennismaking en uitzetten van lijnen: samenstelling van de projectgroep; omschrijving en afbakening van het beoogde project; verzamelen van kenniselementen die men al heeft, voorgeschiedenis, eerste ventilatie van wensen, noden,...; een goed grondplan (met juiste ruimtebeschrijving en afmetingen van de bestaande toestand); de contouren van een visietekst en het opmaken van een afsprakennota.

2° de fase van conceptontwikkeling:

(1). “ik ben, dus ik speel...”: spelen en speltradities op school; in kaart brengen na observaties van het spelgedrag van (groepen) leerlingen op de speelplaats; gebruik van de schoolspeelplaats voor... (eventueel ook voor derden); overwegingen m.b.t. toezicht, onthaal(zone) voor ouders, feestelijkheden, noodwendigheden brandweer...; inventariseren en tevens aanduiden van knelpunten en kansen.
(2). “maak daar geen spel over”: het verlanglijstje nog eens doorgenomen, eerste schetsmatige verkenning, poging tot structurering, aanbrengen van elementen van een speellandschap, oriëntering op basiselementen als veiligheid, variatie, beschutting en geborgenheid, tolerantie,...
(3). “de kriebel van Wiebel”: een inspraakelement voor leerlingen (per graadsklas ontwikkeld door Vivès)
Zie voor dit project ook het P3-Project (ParticiPatieProject van en begeleid door het Centrum voor Informatieve Spelen uit Leuven).
(4) “bespeelbaar verklaard”: het concept dieper uitgewerkt, getoetst en eventueel ruimer teruggekoppeld op basis van vorige elementen: het is op dit moment dat meer definitieve keuzes gemaakt en gemotiveerd worden en dat een duidelijk schetsontwerp word uitgetekend.
(5). “dossier uitvoerbaar”: hier word het project afgerond; er wordt beslist hoe, wanneer en door wie het project intern en extern wordt gecommuniceerd. Hoe men het project wil realiseren (eventueel in fases), hoe men het reële kostenplaatje inschat en verwerkt.

Wat wij hierboven schetsen is een scenario voor een ruim project, waarbij Vivès in samenwerking met de gemeentelijke jeugddienst ondersteunt.
Het is uiteraard zo, dat voor een project met kleinschaliger ambities, een mindere indringende doorloop van fases nodig is.
Toch is het belangrijk dat men voor elk project de basisvereisten voor een goed dossier (met name het participatieve en communicatieve werken; een duidelijke omgevingsanalyse en speellandschaps-visie expliciteert, naast een prognose van uitvoering en financiële kostprijs. Dit moet in een aanvankelijke afsprakennota tussen gemeentelijke jeugddienst en subsidie-aanvrager helder weergegeven zijn).

 

 

 

Copyright © 1999-2007 Vivès vzw | vives@vives-vzw.org